Biologie · De cel
Een animatiefilm over de cel en zijn organellen. In één cel gebeuren duizenden reacties tegelijk. Hoe zorgt de cel dat ze elkaar niet in de weg zitten? We volgen insuline van het gen in de kern tot in je bloed.
Tip: tik op en houd je telefoon dwars. Dan zie je ook de kleine labels in de film.
Niet als rijtje organellen met functies, maar als oplossing van een probleem: duizenden reacties die elkaar in één open ruimte zouden storen. Membranen maken aparte ruimtes (compartimentering). Omdat alle membranen uit hetzelfde materiaal bestaan, kunnen blaasjes afsnoeren en samensmelten. De reis van insuline verbindt kern, ribosomen, ER, golgi-systeem, blaasjes, cytoskelet en celmembraan tot één route. Drie vragen dragen de film; ze worden in hoofdstuk 7, 8 en 11 beantwoord.
Na de film kan een leerling: (1) uitleggen waarom een eukaryote cel in compartimenten is verdeeld; (2) de route beschrijven van een eiwit dat de cel uit gaat, en de rol van mitochondriën en cytoskelet daarbij; (3) per organel de functie noemen en of het geen, één of twee membranen heeft; (4) plantaardige, dierlijke en bacteriecellen vergelijken; (5) twee argumenten geven voor de endosymbiosetheorie.
Klas 3: hoofdstuk 1–3, 8 en 10 en vraag 2 zijn de kern; stop gerust na hoofdstuk 8 en kijk 9–12 in een volgende les. 4 havo/vwo: de hele film, als start van het thema cel.
kamer → celorganel met membraan (compartiment) · vliesje → membraan · werkkopie → mRNA (transcriptie) · drie letters → codon; aflezen en aanrijgen → translatie · adreslabel → signaalpeptide · bouwers → ribosomen · doolhof → ER · rails → microtubuli (cytoskelet) · sjouwers → motoreiwitten (kinesine) · batterijtje → ATP (energiedrager) · verbranding → aerobe dissimilatie · kanaaltjes in de celwand → plasmodesmata · kleurstof- en zetmeelkorrels → chromoplasten en amyloplasten · cytoplasma (in de film: het vloeibare deel) → strikt genomen cytosol.
(a) Teken de route: eerst de werkkopie (kern → kernporie → ribosoom), dan het eiwit (ruw ER → blaasje → golgi-systeem → blaasje → langs microtubuli → celmembraan: exocytose). (b) Tabel per organel: functie in één woord · membraan: geen, één of twee · eigen DNA? · dier, plant, bacterie · zichtbaar met de lichtmicroscoop? (c) Koppel cel aan organel: speekselkliercel → ruw ER en golgi-systeem; levercel → glad ER; hartspiercel en zaadcel → mitochondriën; witte bloedcel → lysosomen; aardappelcel → zetmeelkorrels. (d) Benoem organellen op een echte elektronenmicroscoopfoto, zoals op het examen. (e) Vwo: het experiment van Jamieson en Palade (1967): alvleeskliercellen kregen een paar minuten radioactieve aminozuren; het label zat eerst in het ruw ER, dan in het golgi-systeem, dan in blaasjes. Leerlingen leiden de route af uit de grafiek.
Vliesje van een ui en mondslijmvliescellen (methyleenblauw) onder de microscoop; waarom zie je in een uivliesje geen bladgroenkorrels? (De rokken van een ui krijgen geen licht, net als in vraag 2.) Waterpest (Elodea): bladgroenkorrels stromen mee, doordat motoreiwitten over actinedraden lopen (hoofdstuk 7). Aardappel met jodium (lugol): zetmeelkorrels kleuren blauwzwart. Rode paprika, tomaat of winterpeen: kleurstofkorrels. Katalase: rauwe tegenover gekookte aardappel of lever in waterstofperoxide. Zeepbellen: een nat rietje prik je erdoor zonder dat de bel knapt, en twee bellen smelten samen (hoofdstuk 2 en 6). Vertel vooraf wat je met een schoolmicroscoop wel en niet ziet.
Fosfolipiden vormen vanzelf een dubbellaag, maar in de cel maken enzymen in het ER ze en bouwen ze in bestaande membranen in; membranen en organellen groeien altijd uit bestaande. Afsnoeren en samensmelten gebeurt met hulp van eiwitten (manteleiwitten, SNARE-eiwitten), die ook bepalen met welk membraan een blaasje versmelt. Een blaasje dat van het celmembraan afsnoert, versmelt eerst met een endosoom en pas later met een lysosoom. De vertaling is ingekort: de tRNA's die de aminozuren aanvoeren zijn wel getekend, maar worden niet genoemd. Het adreslabel is een signaalpeptide dat via een herkenningsdeeltje (SRP) het ribosoom naar het ER brengt; het wordt in het ER afgeknipt (preproinsuline → proinsuline). Ongeveer een derde van onze eiwitten gaat via het ER. Een verkeerd gevouwen eiwit wordt terug het cytoplasma in geduwd en daar door proteasomen afgebroken. Pro-insuline wordt in de blaasjes op maat geknipt; slechts een paar procent van de ± 10 000 blaasjes ligt direct klaar onder het membraan. In bètacellen groeien de microtubuli vooral vanaf het golgi-systeem; de ster rond het centrosoom is het plaatje van een gewone cel. Glucose gaat niet zelf het mitochondrium in: het wordt eerst in het cytoplasma afgebroken (glycolyse). ATP is geen batterij: energie komt vrij bij de omzetting van ATP in ADP en fosfaat (in het boek heet dit vaak een "energierijke binding"); het ribosoom gebruikt vooral GTP. Hartspiercellen verbranden vooral vetzuren. Een bètacel meet bloedsuiker via de ATP/ADP-verhouding, die kaliumkanalen sluit; daarna stroomt calcium in en volgt exocytose. Oudere boeken noemen lysosomen "zelfmoordzakjes": één lek lysosoom doet weinig, veel tegelijk wel. Bloemplanten hebben geen centriolen en geen typische lysosomen (de vacuole doet dat werk). Een aardappel is een stengelknol. Wortels die licht krijgen, kunnen groen worden. "De kern heeft toch ook een dubbel membraan?" Het kernmembraan is één platte ER-zak om de kern heen; bij mitochondriën lijkt het binnenste membraan op dat van bacteriën. De gastheer van het eerste mitochondrium was een archee; later verhuisden de meeste genen van de bacterie naar de kern (menselijk mitochondriaal DNA: 37 genen), en daarom kan een mitochondrium niet meer zonder de cel. Margulis' verdere idee dat trilharen van bacteriën afstammen, is níét aanvaard. Er is bij de mens één goed gedocumenteerd geval van vaderlijk mitochondriaal DNA (Schwartz & Vissing 2002). In beeld is de cel veel leger getekend dan hij is.
Lynn Margulis (1967), endosymbiose. Voor wie meer wil: lysosomen en peroxisomen werden ontdekt door de Belg Christian de Duve (Nobelprijs 1974, samen met Palade en Claude). Bij de ziekte van Pompe, genoemd naar de Nederlandse patholoog J.C. Pompe, mist één enzym in de lysosomen; de enzymtherapie is mede in het Erasmus MC in Rotterdam ontwikkeld.
Toetsen: Spatie afspelen of pauzeren · ←→ 5 s spoelen · C ondertitels · M stem · F volledig scherm